Busje.

Op bijgaande foto het busje waarmee ik als vrijwilliger rij. Ze mogen dat
busje wel wat vaker schoonmaken, maar dit terzijde.
Ik rij met bewoners die in een naburig dorp wonen naar Heeze en naar
Kloostervelden.
Meestal is dat wel leuk, soms helemaal niet leuk en af en toe hilarisch.

Zo stond ik onlangs bij het PMD-gebouw om bewoners op te halen. Het
was mooi weer en ze waren buiten bezig met een een balspel toen
Robbie een aanval kreeg en op het asfalt belandde. Helemaal niet leuk
dus. Met behulp van vriendelijk en zorgzaam personeel kregen we
Robbie met moeite in de bus. Korte tijd daarna stapte ook Maja,
Berend, Loes en Henk Johan in. Stemming wat bedrukt want ze
hadden het natuurlijk allemaal gezien. Ik controleerde nog even hoe het
met Robbie was en reed naar de werkplaats in Heeze, waar Stefan, Rik
en Naomi instapten.
Loes, nogal zwaarlijvig als ik het zo mag zeggen, had de gewoonte om
op de buitenste stoel te gaan zitten en zodoende een plaats bij het
raam open te laten. Dus had ze zich na het sporten op Kloostervelden
op de buitenste stoel laten ploffen. Zelf stond ik bij de deur toen
achtereenvolgens Stefan, Rik en Naomi probeerden in te stappen.
Stefan wilde bij het raam naast Loes gaan zitten en vroeg aan Loes
“Mag ik er langs?”
“Nee” zei Loes.
Ik bleef rustig staan kijken en was benieuwd hoe dit af zou lopen.
Stefan deed een nieuwe poging: “Ik wil erlangs dan kan ik ook zitten”.
“Ga er maar langs”, zei Loes.
“Dat kan niet”, zei Stefan: “Je moet even opstaan”.
“Nee” zei Loes: “Ik heb gesport en ik ben moe”.
“Ik heb gewerkt” zei Stefan.
Loes zei niks en keek onbewogen voor zich uit.
Nu kon Stefan zich kennelijk niet meer beheersen: “ouwe heks”
schreeuwde hij.
Loes bleef onbewogen voor zich uit kijken.
Doodse stilte in de bus. Nadat Stefan nog een keer vrij machteloos
“ouwe heks” tegen Loes had gezegd, vond ik het tijd worden om naar
een lege stoel achter in de bus te wijzen: “Ga daar maar zitten Stefan”.
“Ik word misselijk achter in de bus” mokte Stefan terwijl hij naar
achteren liep.
“Zal wel meevallen” zei ik.
“En dan spuug ik iedereen onder” probeerde hij nog.
“Ik zit ver genoeg weg” zei ik enigszins ego-gericht.

Nu stapten ook Naomi en Rik in.
Terwijl Loes stuurs voor zich uit bleef kijken zag ik Rik soepel over Loes
heen kruipen om bij het raam te gaan zitten. Loes gaf geen krimp.
Nadat ik nog een rollator in de bus gezet had, gingen we op weg naar
Someren. In mijn spiegel monsterde ik mijn gezelschap: Robbie was
nog behoorlijk suf na zijn aanval en de rest zat er wat ongebruikelijk
stilletjes bij.
“Ik ben hartstikke vrolijk” riep ik geforceerd lachend: “Wie is er nog
meer vrolijk?”
In mijn spiegel zag ik Maja bedeesd haar vinger opsteken.
Nadat ik hardop geconstateerd had dat Maja en ik hartstikke vrolijk
waren, voegden ook Henk Johan, Berend en Rik zich bij dit opgewekte
gezelschap. Er werd zowaar weer wat gepraat met elkaar.
Halverwege de rit werd er geroepen. Uit het lawaai maakte ik op dat er
iets aan de hand was en zette ik de bus langs de kant. Nu bleek Henk
Johan absences te hebben. Het viel mee en even later waren we weer
op weg.

In Someren aangekomen reed ik op een vrij smalle weg waar aan de
rechterkant aaneengesloten allemaal vrachtauto’s en busjes stonden. Er
kwamen geen tegenliggers aan en ik passeerde de vrachtauto’s. Ik was
er bijna toen er een tegenligger
om de bocht kwam en kennelijk niet even wilde wachten. Ik moest
zover naar rechts om deze dame te ontwijken dat ik met de spiegel een
andere spiegel raakte (geen schade).
Van de weeromstuit zei ik halfluid: “takkenwijf”, hetgeen de naast mij
gezeten Berend ontlokte: “Dat zegt zo’n ouwe man toch niet”.
Hoeveel gelijk kun je hebben?
Bij de zorgwoning aangekomen, had ik de rollator nog niet uit de bus of
Loes wurmde zich er als eerste langs en schommelde in rap tempo en
zonder iets te zeggen naar de voordeur.
En ik mij maar afvragen: was deze rit nou leuk of helemaal niet leuk of
hilarisch?

(Alle namen in dit waargebeurde verhaal zijn natuurlijk gefingeerd.)